Gezin,  Ontspanning,  Verbazing,  Wij

Heimwee

Op 15 maart 2009 schreef ik hier iets over heimwee, verschillende soorten heimwee. Inmiddels zijn wij meer dan 6 jaar verder en het is vreemd te merken dat die heimwee heel langzaam sterker blijft worden. Alsof er een grote elektromagneet ergens op de Dam in Amsterdam staat waarvan iemand heel stiekem iedere keer dat knopje een stukje verder naar rechts draait. De sukkel.

En aan de ene kant is dat gevoel helemaal niet vervelend omdat iedereen roots hoort te hebben, en dan vooral prettige roots. Maar aan de andere kant heeft het ook wel iets onzekers in zich. Het onzekere gevoel dat je niet weet en ook niet kan voorspellen of die heimwee ergens in de toekomst misschien (te) sterk gaat worden. En wat dan?

Soms bekruipt mij namelijk het gevoel dat ik misschien nooit weg had moeten gaan, in 1979. Dat ik toen misschien mijn gevoel iets meer ruimte had moeten geven in plaats van te denken dat het niet uitmaakte waar mijn bed stond. Zoals zoveel Amsterdammers in die tijd kozen voor het rijtjeshuis met de tuin in de Vinexwijken van Purmerend, Lelystad en Almere. Ook al moesten ze de kreet ‘Vinexwijk’ nog verzinnen. Zo’n kille, onpersoonlijke, precies uitgemeten rij huizen in een keurig rechte straat met van die bedachte strookjes groen. In plaats van spontaan gebouwde kronlkelstraatjes, te smal voor een redelijk formaat auto en te gevaarlijk voor een kind om doorheen te fietsen.

En natuurlijk ben ik blij dat mijn kinderen veilig konden opgroeien in die autoluwe straat, met een tuin met eigen zandbak en schommel, met een zelf aangelegd en onderhouden stukje gras en zonder het lawaai van de langsgierende tram en de bijna constant hoorbare sirenes van brandweer en politie. Maar nu, nu de heimwee met enige regelmaat aan mij knaagt, zou ik een andere beslissing hebben genomen.

Ik zou nu proberen om zo dicht mogelijk in de buurt van het Vondelpark te gaan wonen. Geen eigen tuin maar een grote gezamenlijke tuin waar je koffie drinkt in het Blauwe Theehuis, zomers met de kinderen gaat picknicken en waar je in de straten om het park heen alles vindt wat je nodig hebt om je prettig te voelen. Drukte, lawaai, kapsones, ijlie,  mensen met een grote mond en een klein hartje die niet schrikken als je er iets raars uitflapt en waar je gewoon de taal kunt spreken die je als kind gewend was te spreken. Ik mis het wel eens, steeds vaker wel eens.

Gelukkig ben ik in de gelegenheid om er zo vaak rond te lopen als ik wil. Zo vaak te veranderen als ik wil. Want dat hoor ik dan van mijn echtgenote die mij dan met een bepaalde blik bekijkt en ook snapt dat er in mij ‘iemand anders’ zit zonder dat ik dan iemand anders ben. Zij ziet mij zodra ik mijn stad binnenkom veranderen zonder dat ik iemand anders word, ik schijn dan een soort andere vorm van mijzelf te worden. En ik voel mij dan ook mijn Amsterdamse zelf, loop anders, praat en kijk anders, terwijl ik toch ook nog steeds mijzelf ben. En gelukkig heb ik daar dan ook genoeg aan, aan het rondlopen op een plek waar ik kan bijtanken. Genoeg bijtanken om mij de rest van de tijd ook buiten die stad thuis te voelen, thuis genoeg om geen last te krijgen van heimwee. Niet écht.

 

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.